Beweging in het socratisch gesprek

Moreel beraad op socratische wijze
Hans Bolten & Kristof Van Rossem

Dit artikel is, onder de titel ‘Socratisch beraad’ verschenen in:
In gesprek blijven over goede zorg.
Overlegmethoden voor ethiek in de praktijk
,
p. 96-112. boom, Amsterdam 2014.

Inleiding

In een socratisch moreel beraad wordt niets besloten of opgelost en niemand geadviseerd of geholpen. Dat levert veel op. Huh…? Dat gaat zo: het beraad gaat over een praktijksituatie die een van de deelnemers heeft meegemaakt. Elke deelnemer geeft vervolgens aan wat volgens hem in die situatie de moreel juiste handelswijze is: hij geeft zijn morele oordeel. En die oordelen van alle deelnemers worden vervolgens onderzocht: waar zijn ze op gebaseerd? Welke zorgvisie spreekt er uit? Het morele oordeel is dus niet het eindpunt van het beraad, maar het vertrekpunt. In en door een socratisch beraad komen deelnemers erachter wat een ander vindt en waarom. En dat niet alleen, vaak begrijpen zij gaandeweg hun eigen morele oordelen ook beter. Dat betekent dat collega’s onderling door het beraad meer duidelijkheid kunnen krijgen over elkaars morele zienswijzen. Zo een socratisch moreel beraad kan op verschillende manieren verlopen, er is niet één gouden stappenplan (alleen daarom al geven wij er twee, aan het eind van onze bijdrage). Kenmerkend is echter wel dat er een aantal zgn. ‘socratische bewegingen’ in het gesprek plaatsvinden die wij in dit artikel uitvoerig bespreken. De begeleider van een socratisch moreel beraad levert geen inhoudelijke bijdrage aan het gesprek. Hij houdt zijn mening voor zich en stelt zich niet als kennisautoriteit op. Integendeel, hij is de vleesgeworden onwetendheid en, zoals Socrates, een ‘vroedvrouw’ van inzicht: hij luistert en stelt vragen.
Wat voor vragen moet de begeleider dan stellen? Op welk moment? Hoeveel? Dat zijn vragen waar iedere gespreksleider tegenaan loopt en waar een stappenplan geen handzaam antwoord op kan geven. Het zijn immers praktische vragen, ambachtelijke vragen en het begeleiden van een socratisch beraad is een ambacht. Een ambachtsman, van timmerman tot computerprogrammeur, volgt niet zomaar een stappenplan en bewandelt geen uitgestippelde route. Integendeel, hij wijkt er van af als de situatie daar om vraagt. Een stappenplan kennen is iets anders dan er iets mee kunnen. Zo is het ook met het begeleiden van een (socratisch) moreel beraad: het is een kwestie van waarnemen, luisteren naar wat er in het gesprek gebeurt, en op basis daarvan interventies doen: op het juiste moment de juiste vragen stellen in de juiste hoeveelheid. Een stappenplan biedt enig houvast maar meer ook niet. Luisteren en vragenstellen, daar gaat het om. Met dit artikel willen wij je op deze twee punten behulpzaam zijn zodat je na bestudering ervan je eigen weg kunt vinden met een van de gepresenteerde stappenplannen.
Om je in staat te stellen zelf de socratische bewegingen waar te nemen, beginnen we in de eerste paragraaf met de weergave van een socratisch beraad. Dat is expres een beraad dat niet aan de hand van een stappenplan verloopt. Daardoor kun je beter zien wat de gespreksleider doet: simpele en nauwkeurige vragen stellen. Dompel je er maar eens in onder. We raden je zelfs aan het meermaals te lezen en daarna pas aan het vervolg te beginnen. Probeer er eerst zelf eens een structuur in te zien. In de tweede paragraaf kijken wij met een ambachtelijke blik naar dit gesprek en belichten daarbij de socratische bewegingen. In de derde paragraaf gaan we dan, aan de hand van hetzelfde beraad, in op de competenties van de gespreksleider. Tot slot beschrijven we twee stappenplannen, de socratische dialoog en het socratisch beraad.

Een Socratisch beraad

Hieronder volgt een gestileerd maar realistisch gesprek. In een zaaltje in een instelling voor geriatrische zorg zitten vijf mensen. Een huisarts, een verpleegkundige, een psychiater, een psycholoog en een gespreksleider. Zij zijn bij elkaar voor een socratisch beraad over ‘een morele kwestie’.

-Heeft er iemand een eigen verhaal met een vraag erbij?
Lex: Ja, ik wel. Zal ik het vertellen?
-Prima.
Lex: Laatst had ik een vreselijke toestand bij een huisbezoek…
-Wanneer was dat?
Lex: …eh…vorige week, dinsdagmiddag.
-Wat gebeurde er toen?
Lex: Ik was op huisbezoek bij een meneer met beginnende dementie. Ik was er al eerder geweest. Het is nog niet ernstig maar ik hou wel de vinger aan de pols. Ik doe dat altijd als iemand…
-Wat gebeurde er bij dat huisbezoek, Lex?
Lex: O, ik kwam daar met een stagiaire. Een paar weken eerder was die ook meegegaan. Die meneer vond dat prima, ik had het hem gevraagd. En nu ook weer, aan de voordeur. Hij had totaal geen bezwaar tegen de stagiaire. Maar eenmaal binnen begon zijn vrouw ineens moeilijk te doen zeg!
-Waar was dat?
Lex: In de woonkamer.
-Met de stagiaire daarbij?
Lex: Ja, natuurlijk, je moet stagiaires alles in de praktijk laten zien. Daar zal niet iedereen het mee eens is, maar…
-Goed, jij was dus in de woonkamer met het echtpaar en de stagiaire.
Lex: Ja.
-En die mevrouw begon moeilijk te doen?
Lex: Ja, zeg, die begon me daar uit te varen!
-Ja!? Wat zei ze dan?
Lex: Ach, je hebt dat wel vaker, dat iemand over zijn toeren gaat. Ik vind dat niet erg, hulpverleners moeten tegen een stootje kunnen. Als je…
-Wat zei die mevrouw nu?
Lex: Oh…, ze vond dat ik het had moeten vragen, dat het geen stijl was, en dat…
-Weet je nog wat ze letterlijk zei?
Lex: Ja, joh! ‘ik wil niet dat er iemand anders bij is!’, zei ze, ‘en díe wil ik hier niet bij hebben’. Ze wees met haar hoofd naar de stagiaire. Later zei ze nog: ‘ik vind het echt niet goed, hoor! Het zit me helemaal tot hier, van jou had ik dit niet verwacht!’ Ze ging me toch tekeer. Ik snapte het niet.
-En toen?
Lex: Haar man probeerde haar wat te kalmeren, zo van ‘laat nou maar, doe nu niet zo moeilijk’.
-En toen?
Lex: Dat hielp niet, die vrouw ging maar door.
-En toen?
Lex: Toen heb ik gezegd dat het me niet zo gepast leek om het gesprek voort te zetten en dat we beter een nieuwe afspraak konden maken. Dat leek hem ook het beste.
-En toen?
Lex: Toen zijn we weggegaan.
-Oké, en wat is jouw vraag hierbij, Lex?
Lex: Tja, ik vroeg mij of ik haar ook toestemming had moeten vragen om de stagiaire mee te nemen.
-Vraag je je dat nog af?
Lex: Ja.
-Had ik de echtgenote ook om toestemming moeten vragen? Dat is jouw vraag?
Lex: Ja.
-Willen jullie dit verhaal bespreken? Of wil iemand een andere situatie inbrengen?
Willemijn: Ik vind dit wel herkenbaar.
-Wil je het bespreken?
Willemijn: Ja, natuurlijk.
Daan: Ik ook.
Els: Ja hoor, geen bezwaar.
-Mooi. Willen jullie meer van de situatie weten om de vraag van Lex te kunnen beantwoorden?
Willemijn: Het lijkt mij wel helder.
Els: Ik wil wel meer weten. Hoe was die meneer cognitief, en hoe lang kende je hem?
Lex: Hij was behoorlijk goed hoor. Hij wist wat er aan de hand was, dat hij beginnende dementie had. Ik kende hem een maand of vijf. Dit was de vierde keer dat ik hem sprak.
Els: Had je zijn vrouw al vaker gesproken?
Lex: Alleen de eerste keer toen ze samen op spreekuur kwamen. Het was een heel rustige vrouw, ze had het er wel moeilijk mee, maar dat lijkt me wel logisch.
Daan: Wat vond je daar nu van, dat ze zo uit haar dak ging?
Lex: Jee, dat verraste me wel hoor, ik schrok eigenlijk nogal.
-Gíng die mevrouw uit haar dak, Lex?
Lex: Nou ja, uit haar dak? Nee, eigenlijk niet, dat is net alsof ze de controle helemaal kwijt was. Dat was niet zo.
-Daan, weet jij nog wat je daarnet aan Lex vroeg?
Daan: eh…, wat Lex ervan vond dat die mevrouw zo’n toestand maakte.
-Oh, ik hoorde dat je vroeg wat Lex ervan vond dat de mevrouw zo uit haar dak ging.
Daan: Ja, nou ja, toestand maken, uit je dak gaan. Maakt dat wat uit dan?
-Maakt het voor Lex wat uit?
Daan: eh…
Els: Lex, wanneer vroeg jij die meneer of de stagiaire mee mocht?
Lex: Dat was aan de voordeur.
Els: Bij de voordeur!? Je stond dus al bijna in de gang?!
Lex: Nee hoor, ze wonen twee hoog in een flat. Ik belde beneden aan en vroeg het toen door de intercom. Hij wachtte ons boven al op en begroette ons hartelijk.
-Wie wil er nog iets meer weten van deze situatie?
-…niemand?… Ik heb het nog niet goed voor ogen, Lex. Toen die mevrouw die dingen zei, zaten jullie toen ergens of stonden jullie nog?
Lex: …ik zat op de bank, met de stagiaire, en die meneer tegenover mij.
-En de mevrouw?
Lex: Die ook… nee, wacht, die was gaan staan toen ze zo boos werd. Op een gegeven moment beende ze naar de slaapkamer. ‘Het zit me helemaal to hier!’, zei ze, en toen trok ze de slaapkamerdeur achter zich dicht. Bats!
Els: Echt?
Willemijn: Hè?! Dat hoor ik nu pas!
Daan: Zo! Dat is wel even anders, zeg!
-Hoezo?
Daan: Die mevrouw was er niet meer bij! Dan mag je zomaar weggaan zonder iets tegen haar te zeggen. Ik zou naar haar toegaan, ik wil horen wat haar dwars zit.
Els: Nee, natuurlijk niet! Ze is in haar slaapkamer! Dat is haar ruimte, dat is intiem. Je kan daar niet zomaar naar binnen lopen, daar heb je niets te zoeken. Het is onveilig voor haar in de woonkamer.
Lex: Jeetje, ik heb daar helemaal niet over nagedacht, ik ben gewoon weggegaan.
-Hebben jullie nu ergens een meningsverschil over?
Lex: Ja, over of ik wel had moeten weggaan toen die mevrouw in de slaapkamer was.
-Is het iets om dat eens te onderzoeken?
Lex: Ja, voor mij wel.
-Voor jullie ook?
Daan, Willemijn en Els: Ja.
-Goed, de vraag is dus: Mocht Lex weggaan toen de mevrouw in de slaapkamer was? Wie heeft daar een antwoord op?
Willemijn: Als er zoveel onrust is moet je dat natuurlijk eerst herstellen.
-Bedoel je dat er onrust in de woonkamer was?
Willemijn: Dat lijkt mij wel, ja.
-En iemand moest dat herstellen?
Willemijn: Ja, Lex natuurlijk, hij had die stagiaire naar buiten moeten sturen, daardoor kwam die onrust.
-Mocht Lex nu weggaan, toen die mevrouw in de slaapkamer was?
Willemijn: Nee, dat mocht hij niet. Hij moet met die mensen gaan praten, dus eerst de stagiaire wegsturen.
Daan: Oh, dat zal die stagiaire leuk vinden!
-Daan, snap jij waarom Willemijn zegt dat die stagiaire wegmoet?
Daan: Nee, je kunt dat gesprek toch ook wel voeren met die stagiaire erbij?
-Willemijn ziet dat anders.
Daan: Dat ziet ze dus niet goed.
-Prima, maar mijn vraag was of je snapt waarom Willemijn vindt dat de stagiaire weg moet. Heb je haar een reden horen geven?
Daan: … eh, … nee…, ik denk het niet…ik weet het niet….
-Wil je haar snappen?
Daan: Ja…
-Je kunt het haar vragen…
Els: Ik vind dat Lex wel weg mocht gaan hoor. Die meneer was niet op zijn gemak, en voor zijn vrouw was het hartstikke onveilig.
-Els, jij zegt dat Lex mocht weggaan. Bedoel je dat hij ook wel mocht blijven, dat het niet zoveel uitmaakt?
Els: Nee! Ik bedoel dat hij weg moest gaan!
Willemijn: Waarom dan?
Els: Omdat het daar niet veilig is voor die mensen, er is geen veilige situatie.
-Vinden jullie dat ook, dat er geen veilige situatie was?
Daan: Dat weet ik niet hoor, ik heb dat zo niet begrepen van Lex.
Willemijn: Volgens mij wel.
Lex: Tja,.. misschien wel.
-Volgens jou was het er geen veilige situatie, Els, en daarom moest Lex weggaan. Waarom eigenlijk?
Els: Waarom?! We zijn toch een zorginstelling?? Als ze geen zorg nodig hadden waren ze toch niet bij ons in zorg!?
-Ja, en? Wat heeft dat met die veiligheid te maken? Waarom mag je het niet een beetje onveilig maken voor ze?
Els: Nou zeg! Die mensen hebben zorg nodig, je moet voor ze zorgen, en dan moet je ook zorgen voor veiligheid.
Daan: Daar ben ik het dus niet mee eens! Waarom moet je zomaar vertrekken? Ik vind dat die mevrouw dat niet kan maken! Je moet achter haar aangaan. Je hoeft heus de slaapkamer niet in te stormen, je kunt gewoon op de deur kloppen.
-Waarom moet je achter haar aan?
Daan: Zij verstoort het contact dat ik met die meneer heb, daarom moet je contact met haar maken.
Els: Maar dat wil ze niet! Ze gaat toch niet voor niks naar haar slaapkamer?
Daan: Zij is toch een redelijk wezen? Je moet haar aanspreken op haar redelijkheid. Ze onttrekt zich gewoon aan het gesprek, maar ze kan toch uitleggen wat er aan de hand is?
-Wat zou dat hier zijn, Daan, haar aanspreken op haar redelijkheid?
Daan: Aan haar vragen waarom ze wegloopt uit het gesprek.
-Je moet haar vragen waarom ze wegloopt uit het gesprek?
Daan: Ja.
Willemijn: Dat gaat wel ver, hoor!
Lex: Dat is nooit bij mij opgekomen, zeg.
-Waarom vindt Daan nu dat je daar niet zomaar mag weggaan?
Willemijn: Omdat hij vind dat die mevrouw niet zomaar kan weglopen uit het gesprek.
-Klopt dat, Daan?
Daan: Ja.
-Dus jij zegt, Daan, dat je niet mag weggaan terwijl de mevrouw in de slaapkamer is omdat ze niet zomaar uit het gesprek kan weglopen?
Daan: Eh.., nee dat klopt eigenlijk niet! Ze kan best weglopen, dat mag best. Maar het is niet redelijk! Je moet proberen haar weer in het gesprek te krijgen.
Els: Dat kun je toch niet maken! Het is hartstikke onveilig voor haar! Ze sluit zich toch niet voor niks op in de slaapkamer?
-Els, weet jij nu waarom Daan wil proberen haar weer in het gesprek te krijgen?
Els: Om het weer bij te leggen, denk ik.
-Heeft hij dat gezegd?
Els: Nee.
Daan: Daar gaat het mij ook niet om. Het gaat erom dat ik haar niet snap. Ze kan toch uitleggen wat er aan de hand is? Ik vind dat je haar moet aanspreken op haar redelijkheid. Dat hoort bij ons werk. Ook cliënten moet je zo benaderen, je moet er niet vanuit gaan dat ze dingen toch niet snappen omdat ze dement zijn. Je moet met mensen praten totdat je erbij neervalt.
-Waarom moet dat, Daan?
Daan: Tja…, omdat het mensen zijn…
Lex: Daan, zeg jij nu dat ik het niet goed heb gedaan? Zeg je dat nu?
Els: Laten we het even gezellig houden jongens!
Daan: Of ik dat zeg? Nee, dat heb ik heb ik toch niet gezegd!? Het klinkt misschien wat verwijtend, maar zo bedoel ik het helemaal niet.
Lex: Maar jij zegt toch dat ik naar die mevrouw toe had moeten gaan voor een gesprek? Dat heb ik niet gedaan. Dan zeg jij toch dat ik het niet goed heb gedaan?
Daan: Tsja, als je het zo ziet.
-Heb jij nu een antwoord op jouw vraag, Lex?
Lex: Nee.
-Hoezo?
Lex: Daan geeft geen antwoord op mijn vraag. Het lijkt wel of hij wegloopt uit het gesprek, net als die mevrouw.
-Mag dat niet?
Lex: Ik kan het moeilijk uit hem persen. Als hij niets wil zeggen houdt het op, jammer.
-Vindt je dat redelijk?
Lex: Nee, dat zei ik al. Hij loopt gewoon weg, dat is onredelijk, ja.
GL. ..hmm hoe zie jij dat Daan? Lex zegt dat je zijn vraag niet beantwoordt en dat dat onredelijk is. Vindt jij dat ook?
Daan: Eigenlijk wel ja…
-Je vindt dat onredelijk van jezelf?
Daan: Ja, nou ja, anders klinkt het zo verwijtend, als ik zeg dat hij het niet goed heeft gedaan.
-Ja, en? Mag je hem niets verwijten dan?
Daan: Eh,…, dat weet ik eigenlijk niet. Eigenlijk wel natuurlijk. Mischien is dat niet veilig voor hem, dat heeft er ook wel mee te maken.
-Tja, misschien wel. Oke, Els, jij zegt dus dat je weg moet gaan vanwege de onveilige situatie, en Daan, jij zegt dat je moet blijven omdat je die mevrouw als redelijk wezen moet aanspreken. Wat nu?

Socratische bewegingen

Een socratisch beraad is, nauwkeurig gezegd: een gesprek waarin deelnemers gezamenlijk onderzoeken hoe het staat met de waarheid van hun (morele) beweringen over concrete dingen, gebeurtenissen, handelingen en personen, en hoe het staat met de waarheid van hun argumenten voor die beweringen. In deze paragraaf werken we deze omschrijving gedetailleerd uit.
Een Socratisch beraad kenmerkt zich door zes ‘bewegingen’, zes manieren waarop deelnemers iets aan het gesprek bijdragen. Een alledaags gesprek kent bijvoorbeeld bewegingen als ‘iets zeggen’ en ‘op iemand ingaan’, en een therapeutisch gesprek bewegingen als ‘een probleem vertellen’ en ‘een oplossing voorstellen’. De bewegingen in een socratisch beraad zijn: beweren, concretiseren, uitleggen, luisteren, bevragen en spiegelen. De eerste vijf lichten we hieronder toe, zodat de lezer ze kan herkennen in het gesprek over het huisbezoek en aldus de socratische structuur ervan zal zien.

Beweren

In een socratisch beraad onderzoeken deelnemers dus de waarheid en juistheid van hun (morele) beweringen, van wat ze zeggen over de werkelijkheid – over dingen, situaties, personen, handelingen en wat al niet. Iemand die een bewering over iets doet, zegt dat het zó is en niet anders; dat de tafel rond is, dat Louis een goede coach is en dat een arts iemands gezondheid niet mag schaden. Dat zijn uitspraken die waar kunnen zijn, maar ook onwaar. Dat is anders met een uitspraak als ‘ik vind het vreemd dat Lex wegging’, daarvan kun je moeilijk zeggen dat hij waar of onwaar is. Als iemand dat vindt dan vindt hij dat. Het is een mededeling over een privébeleving, zoiets als ‘ik heb jeuk aan mijn neus’. Maar wie zegt: ‘het is vreemd dat Lex wegging’ doet een bewering.
In een socratisch beraad nemen mensen elkaars woorden serieus, ze gaan ervan uit dat iemand bedoelt wat hij zegt en achter zijn woorden staat. Dat is een verschil met gesprekken waarin het sociale aspect op de voorgrond staat: praten om sociale verschillen te verkleinen (voor de gezelligheid) of te vergroten (menige vergadering).
Een socratisch beraad kan dus beginnen zodra iemand een bewering heeft gedaan. En dat is tamelijk snel, want in elk gesprek gaan beweringen over tafel, bij bosjes, ook in een socratisch beraad. Lex zegt bijvoorbeeld over de meneer bij wie hij op huisbezoek ging: ‘hij had totaal geen bezwaar tegen de stagiaire’. Wel, dat kan waar zijn, maar ook onwaar, dat is een bewering. Enkele andere beweringen in het gesprek zijn:

  • Lex had die stagiaire naar buiten moeten sturen
  • Het is daar niet veilig voor die mensen
  • Hulpverleners moeten tegen een stootje kunnen

Concretiseren

In een socratisch beraad gaat het altijd om wat deelnemers beweren over concrete individuen in concrete situaties, om uitspraken over deze meneer, deze mevrouw, deze hulpverlener. Algemene uitspraken als ‘hulpverleners moeten tegen een stootje kunnen’, zijn alleen maar van belang als ze op een of andere manier betrekking hebben op een concrete situatie. Nu zijn algemene beweringen vaak duidelijk herkenbaar, maar niet altijd. Daan zegt bijvoorbeeld: ‘je mag niet zomaar weggaan zonder iets tegen haar te zeggen’. Dat is wel een bewering, een morele zelfs, maar over wie gaat dat concreet? Wie is die ‘je’? Lex, Daan, iedereen? Als Daan zou zeggen: ‘Lex mocht niet zomaar weggaan zonder iets tegen haar te zeggen’, dan zou hij een concrete (morele) uitspraak doen, een uitspraak over een concreet aanwijsbaar persoon. Wij noemen dat concretiseren: een bewering doen over iets in de concrete werkelijkheid, in zo concreet mogelijke bewoordingen. Voorbeelden van concrete beweringen in het gesprek zijn:

  • Ze woonden op de tweede verdieping
  • Ze wist wat er met haar man aan de hand was
  • Deze mensen hebben zorg nodig

Dit zijn uitspraken over concrete personen in de concrete werkelijkheid, maar of ze voor gespreksdeelnemers voldoende geconcretiseerd zijn, moet nog maar worden afgewacht. De beweging van het concretiseren kan immers altijd worden voortgezet: hebben ze die zorg allebei nodig, of samen? Hoe nodig hebben ze die zorg eigenlijk? Welke zorg dan, en wanneer hebben ze dat nodig?

Uitleggen

Els zegt op een gegeven moment:

  • Lex moest weggaan toen de mevrouw in de slaapkamer was…

Dat is een concrete bewering, maar we weten nog niet waarom zij dat vindt. De volgende beweging is dan: uitleggen: je argumenten geven voor je eigen bewering. Als iemand uitleg geeft, zijn eigen argumenten noemt, de argumenten die hij voor waar houdt, dan ontdek je hoe hij naar mensen kijkt en hoe hij hun handelen beoordeelt. Je leert zijn zienswijze kennen, zijn ‘morele bril’. Nu kan iemand op twee manieren uitleg geven bij een bewering, ‘naar beneden’ en ‘naar boven’, en dat is een cruciaal verschil. Kijk maar eens naar de argumenten die Els voor haar uitspraak geeft. Eerst zegt ze:

  • …, want de situatie was onveilig…

Daarmee geeft ze een argument ‘naar beneden’, ze daalt als het ware af naar de concrete werkelijkheid daar in die woonkamer en zegt: ‘kijk, dat is nu een onveilige situatie’. Ze geeft een waarnemingsargument. Maar ja, als er al een onveilige situatie was, waarom moest Lex dan weggaan? Waarom niet gebleven? Als je uit elke onveilige situatie moet vertrekken, kun je amper je bed nog uit. Els geeft dan ook een bijkomend argument:

  • …en een hulpverlener moet ook zorgen voor veiligheid

Dit laatste is geen waarnemingsargument, dit gaat niet alleen over die een of twee concrete hulpverleners in de woonkamer, maar over alle hulpverleners, het legt een verband tussen hulpverlenerschap en veiligheid. Dat is een algemeen argument, een morele uitspraak van hogere orde, een verwoording van een plicht die in elke situatie geldt. Het is een argument ‘naar boven’.
Luisteren
Bij de vorige drie bewegingen ging het om sprekers, maar er zijn natuurlijk ook luisteraars. Het is immers een gezamenlijk onderzoek van elkaars beweringen en argumenten. En die leer je pas kennen als je naar iemand luistert, zijn woorden letterlijk in je opneemt. Doe je dat niet, dan weet je niet wat hij gezegd heeft en dan kun je het dus ook niet onderzoeken.
Zo letterlijk en nauwkeurig luisteren is niet alledaags en het gaat dus af en toe mis, zoals in het tekstfragment hieronder.
Uit de vraag van Daan blijkt dat hij niet geluisterd heeft: Lex zei namelijk niet dat de mevrouw ‘uit haar dak ging’, maar dat ze begon ‘moeilijk te doen’ en ‘uit te varen’. Toch beantwoordt Lex de vraag en lijkt Daans woorden dus te onderschrijven. Even later zegt hij pas dat de vrouw niet ‘uit haar dak ging’, omdat ze niet ‘de controle kwijt was’. Kennelijk had Lex niet goed naar de vraag geluisterd. Daarna lijkt Daan dan weer, met zijn antwoord op de vraag of hij nog weet wat hij zelf vroeg, óf niet naar de vraag van de gesprekleider te hebben geluisterd, óf niet naar zichzelf. De spraakverwarring ligt dus overal op de loer.

Daan: Wat vond je daar nu van, dat ze zo uit haar dak ging?
Lex: Dat verraste me wel (…)
– Gíng die mevrouw uit haar dak, Lex?
Lex: Nee, eigenlijk niet, dat is net alsof ze de controle kwijt was. Dat was niet zo.
– Daan, weet jij nog wat je daarnet aan Lex vroeg?
Daan: eh…, wat Lex ervan vond dat die mevrouw zo een toestand maakte.
– Oh, ik hoorde dat je vroeg wat Lex ervan vond dat de mevrouw uit haar dak ging.
Daan: Ja, nou ja, wat maakt dat uit dan?

Bevragen

Wat het hele gesprek van meet af aan voortstuwt zijn de vragen over beweringen, argumenten en de samenhang daartussen. We noemen dit dus ‘bevragen’. Dat gaat met vragen als:

  • Waarom vind je dat?
  • Wat gebeurde er dan?
  • Waarom klopt het niet wat ik zeg?

Zulke vragen kunnen over van alles en nog wat gaan, waardoor het gesprek een ogenschijnlijk chaotisch karakter krijgt. Er zijn echter twee hoofdsoorten te onderscheiden, vragen naar boven en vragen naar beneden. Laten we de redenering van Els nog eens bekijken:

  • Lex moest weggaan toen de mevrouw in de slaapkamer was, want
  • de situatie was onveilig, en …
  • een hulpverlener moet ook zorgen voor veiligheid

Over beide argumenten kunnen vragen naar beneden gesteld worden, vragen naar de feiten: waaraan zag je dat het onveilig was? Welke concrete handeling zou hier de onveiligheid wegnemen? Maar er kunnen ook vragen naar boven gesteld worden: waarom noem je die hele situatie onveilig? Waarom moet een hulpverlener voor veiligheid zorgen?
En zulke vragen zijn ook te stellen bij de redenering van Daan, die zegt dat je achter de mevrouw aan moet gaan, omdat je haar op haar redelijkheid moet aanspreken. Op die manier kan er in korte tijd een forse hoeveelheid vragen liggen die om aandacht vragen.

Socratisch sturen

De gespreksleider dient ervoor te zorgen dat de deelnemers met elkaar in gesprek komen over hun beweringen en argumenten. Zijn eigen mening houdt hij dus voor zich. Verder zegt hij niets over de methode, maar demonstreert haar, hij doet het luisteren en bevragen continu voor. Hij zegt dus niet tegen deelnemers dat zij moeten luisteren, maar stelt vragen die aanzetten tot luisteren. Dat zijn meteen de twee belangrijkste competenties van de gespreksleider: luisteren en vragenstellen. Wie niet luistert is socratisch blind, wie niet vraagt socratisch stom.

Basiscompetenties gespreksleider
Luisteren
Wat we eerder zeiden over het luisteren van deelnemers geldt voor de gespreksleider in het kwadraat: hij luistert niet alleen naar wat iemand letterlijk zegt, hij luistert ook socratisch. Hij let op of iemand met zijn woorden een socratische beweging maakt – iets beweert, een argument geeft of een onderzoekende vraag stelt. Dus als een gespreksdeelnemer zegt, tegen een andere deelnemer: ‘dat is echt complete onzin wat je daar uitkraamt’, dan beluistert de gespreksleider daarin niet meteen een ongepaste onfatsoenlijke uitspraak, nee, hij hoort een bewering. Als hij de deelnemer daarin serieus neemt kan hij vragen stellen ‘wat is er precies onzin?’, ‘waarom is dat onzin?’, ‘waarom is dat complete onzin?’, ‘hoezo is hier sprake van uitkramen?’
Een gespreksleider die socratisch naar mensen luistert, staat in de ‘empathische nulstand’: hij beluistert in hun woorden geen verwijten of hulpvragen, hij bekommert zich niet om wat iemand een ‘moeilijkheid’ noemt en piekert niet over een oplossing. Met het socratisch oor hoort hij dat iemand iets een ‘moeilijkheid’ noemt en stelt vragen. ‘Waarom is dat een moeilijkheid?’ ‘Is dat erg?’ ‘Hoezo?’

Vragenstellen
De gespreksleider stelt vragen, maar: eentje tegelijk en hij wacht op antwoord. Hij stelt geen ‘goede’ of ‘slimme’ vragen, maar eenvoudige, onbenullige en vooral begrijpelijke vragen, vragen die een kind van twaalf snapt. En hij let erop dat hij zoveel mogelijk leentaal gebruikt en zo weinig mogelijk metataal.
Leentaal
‘Die cliënt is een grote hufter’. Een deelnemer die dat zegt bedoelt: die cliënt is een grote hufter. Een gespreksleider die dan vraagt: ‘hoezo, waarom is die cliënt volgens jou … eh …niet zo aardig?’, gebruikt andere woorden dan de deelnemer. Flinke kans dat de deelnemer zich dan afvraagt: waarom zegt hij ‘niet aardig’?, vindt hij dat ik iemand geen hufter mag noemen? Hij denkt dan dus na over de gespreksleider, maar niet over het antwoord op de vraag. Om deelnemers wel over de antwoorden op zijn vragen te laten nadenken, doet de gespreksleider er goed aan zich verbaal onzichtbaar maken en geen nieuwe of ‘betere’ woorden te introduceren. De gespreksleider ‘spreekt niet’, want zijn woorden doen er niet toe. In zijn vragen gebruikt hij zoveel mogelijk de woorden van deelnemers, hij leent hun taal. Hij vraagt dus simpelweg: ‘waarom is dat een grote hufter?’

Meta-taal
Uit het voorgaande volgt ook dat de gespreksleider geen jargon gebruikt, wat wij in deze bijdrage wel doen. In een gesprek is dat niet alleen overbodig, het leidt zelfs tot onnodige moeilijkheden. Het is de bedoeling dat mensen met elkaar in gesprek komen over een morele kwestie en niet over woorden als ‘bewering’, ‘argument’ of ‘concreet’. Een gespreksleider die met behulp van zulke woorden het gesprek methodisch ‘duidt’ gebruikt een meta-taal die voor discussie vatbaar is en agendeert daarmee juist methodische discussies. Stel dat iemand zegt: ‘toen heb ik hem duidelijk gemaakt dat ik dat niet wilde hebben’, en dat de gespreksleider dan vraagt: ‘kun je dat iets concreter maken?’. Dan kan een deelnemer toch zomaar vragen: ‘Hoezo, dat is toch concreet? Wat is daar volgens jou niet concreet aan?’. Dat is ineens een vraag aan de gespreksleider en wat hij ook antwoordt, als de deelnemer een beetje vasthoudend is kan er een flinke discussie ontstaan over wanneer uitspraken concreet zijn of niet. Je vermijdt dat allemaal met een eenvoudige vraag: ‘Hoe heb je hem dat duidelijk gemaakt? ‘

Aandacht voor het concrete
De beweging die het eerst en het meest de aandacht van de gespreksleider vraagt is het concretiseren. Als hij daar goed op stuurt, is er snel een concrete casus met houvast. Doet hij dat niet, dan kan dat resulteren in een vage casus waarover deelnemers geen concrete beweringen doen maar allerlei uitspraken met een hoog ‘als…, dan…’-gehalte. En voor je het weet gaan de one-liners en volkswijsheden als sjoelstenen over tafel, uitspraken over autonomie, respect en goede zorg zonder zichtbare relatie met de casus. Maar in een moreel beraad draait het nu net om het formuleren van een moreel oordeel over een concrete situatie. En daarbij zijn algemene morele principes natuurlijk van belang, maar op zich niet toereikend. Iemand kan wel zeggen ‘Je mag niet blijven want je moet als hulpverlener onveiligheid wegnemen’, maar als er in de besproken situatie geen onveiligheid is, dan legt dat beginsel geen gewicht in de schaal. Het gaat er dus om die details van de concrete situatie op te sporen en te benoemen die iets met ‘onveiligheid’ te maken hebben.
Oog voor moreel relevante details, daar gaat het dus om. Dat blijkt ook in het gesprek over het huisbezoek. Nadat de deelnemers hebben gezegd dat het verhaal duidelijk, ja ‘glashelder’ is, stelt de gespreksleider nog enkele vragen waardoor er ineens een detail te voorschijn komt, dat de deelnemers vanuit moreel oogpunt van belang vinden: Lex ging weg toen de mevrouw in de slaapkamer was! Daarop zegt de ene deelnemer dat je vanwege dat feit weg moet gaan, en de ander dat je vanwege precies datzelfde feit niet weg mag gaan.
Het allereerste wat de gespreksleider dus moet doen is: zelf concretiseringsvragen stellen en daarmee laten zien dat informatie oplevert die van belang is voor de morele kwestie. Nu is het echter wel zo dat deelnemers niet altijd antwoord geven op concretiseringsvragen, zeker onervaren deelnemers niet. Het loutere stellen van zulke vragen is dus vaak niet voldoende.

Onderbreken
Als Lex begint te vertellen over het huisbezoek, stelt de gespreksleider concretiseringsvragen (wanneer was dat? wie waren daar bij?) en hij blijft dat doen, ook als Lex uitweidt over ‘stagiaires’ en ‘hulpverleners’. Hij negeert zulke opmerkingen of onderbreekt ze zelfs. Het is nog maar de vraag of het fatsoenlijk is, of moreel juist, om Lex op deze manier te onderbreken, en elke gespreksleider zal daar zelf een antwoord op moeten hebben. Maar hoe dan ook zal hij deelnemers moeten onderbreken als zij beginnen uit te weiden over andere situaties of in algemeenheden vervallen, hij moet, vragenderwijs, durven spelbreken. Bij Lex leidt dat er na enkele onderbrekende vragen toe dat hij helder een eenvoudig vertelt wat er gebeurde, zodat de gespreksleider niets anders hoeft te vragen dan: ‘en toen…? …en toen?’

Volharden
De gespreksleider zal ook moeten volharden in zijn vragen als iemand er geen antwoord op geeft. Waarom anders een vraag stellen? Op de vraag ‘wat zei ze?’, antwoordt Lex bijvoorbeeld met een irrelevante uitweiding. De gespreksleider gaat daar niet op in, maar herhaalt zijn vraag. Lex wordt dan iets concreter: ‘ze vond dat…’. Maar dat is geen antwoord, de vraag was niet wat ze vond, maar wat ze zei. En dus stelt de gespreksleider nog een vraag: ‘wat zei ze letterlijk?’ Het vergt enige oefening om dat in een lopend gesprek te kunnen doen, maar op zich is dat niet zo ingewikkeld. Er is echter wel een zekere onverschrokkenheid voor nodig. De boodschap is immers: ‘je geeft geen antwoord op mijn vraag’, en wie bang is onaardig gevonden te worden, geeft die boodschap liever niet.

Oogsten van beweringen
Als er in het gesprek eenmaal concrete beweringen zijn gedaan, komt het vanzelf goed op gang, er is dan immers iets om te onderzoeken. Maar ook hier geldt: deelnemers doen niet zo snel kant en klare concrete morele beweringen over de besproken situatie. Hoe kan de gespreksleider ze die nu ontlokken?

Vraagtekens plaatsen
Ten eerste moet hij alert zijn op uitingen waar een moreel oordeel achter kan zitten, zoals Daan en Willemijn die doen nadat Lex heeft verteld dat de mevrouw in de slaapkamer was toen hij vertrok. Zij reageren daarop met: ‘hè?! dat hoor ik nu pas!’, ‘Zo! Dat is wel even anders, zeg!. De gespreksleider haakt daar met een minimale interventie op in: ‘hoezo?’. Dat is voor Willemijn voldoende om haar morele oordeel te verwoorden (‘je kunt toch niet…’). De gespreksleider doet hier dus niet veel meer dan met minimale woorden een vraagteken plaatsen: ‘ja, en?’, ‘hoezo?’. Zelfs een verbaasde blik kan op enig moment de werking van een vraag hebben.

Ballonnen vastknopen
Soms zegt een deelnemer iets wat over de concrete casus lijkt te gaan, terwijl dat niet zo is. Nadat de vraag is vastgesteld of Lex bij het echtpaar weg mocht gaan, zegt Willemijn bijvoorbeeld: ‘Als er zoveel onrust is moet je dat natuurlijk eerst herstellen’. Maar daarmee zegt ze, socratisch beluisterd, nog niets, het is geen concrete bewering, maar een ‘als…, dan…’ uitspraak. ‘Als iemand in nood is, moet je hem helpen’. Dat zal best, maar als er niemand in nood is, waar gaat dat dan over? Zo een uitspraak zweeft als een mooi gekleurde ballon door de vrije lucht, maar de socratische gespreksleider wil weten of er een lijntje is waarmee die ballon vastzit aan de werkelijkheid hier beneden. Daarom vraagt hij aan Els of er volgens haar ook ‘onrust’ was in de woonkamer van het echtpaar. Als dat namelijk niet zo is hoeft hij ook niet hersteld te worden, en als dat wel zo is, dan is de vraag wie die onrust had moeten herstellen, op welke manier en waarom.

Spelen met beweringen
Vaak doen deelnemers natuurlijk wel concrete beweringen. Els bijvoorbeeld, als ze zegt: ‘Lex mocht wel weggaan’. Zo een bewering kun je met rust laten, maar je kunt hem ook opnemen en er een beetje mee spelen – misschien wil de spreker er meer over zeggen. Een letterlijke herhaling levert dan vaak al veel op, maar hier gaat de gespreksleider nog een stapje verder en vraagt Els of ze inderdaad bedoelt dat Lex ‘mocht’ weggaan en ook wel ‘mocht’ blijven. Hij plaatst dus wat vraagtekens en een lichtironische vraag: ‘bedoel je dat (…) het niet zoveel uitmaakt?’. Vervolgens doet Els een veel sterkere morele uitspraak: Lex moest weggaan!

Vragen om uitleg
Om deelnemers tot uitleggen te bewegen, kan de gespreksleider de vragen stellen die we eerder al bespraken. Twee houdingsaspecten zijn hierbij van belang.

Professionele onwetendheid
Hoe komt een gespreksleider er nu bij om vragen te stellen als:
Wat heeft zorg met veiligheid te maken?
Waarom zou je het niet onveilig mogen maken voor ze?
Als hij verstand en fatsoen heeft zal hij daar toch wel een antwoord op hebben? Misschien wel, maar dat doet er niet toe, zijn antwoorden zijn niet van belang. Het gaat erom wat Els denkt: wat hebben voor haar zorg en veiligheid met elkaar te maken? Een gesprekleider die niet over paranormale gaven beschikt, weet dat gewoonweg niet. Het is dus niet zoals vaak wordt gezegd, dat een gespreksleider ‘een onwetende houding aanneemt’, nee: hij realiseert zich dat hij onwetend is over de gedachten van een ander. En die onwetendheid zet hij om in vragen.

Empathische nulstand
Om zulke vragen te kunnen stellen gaat de gespreksleider in ‘de empathische nulstand’: hij registreert uitingen van morele verontwaardiging zonder ze te beamen of te ontkennen. Els reageert bijvoorbeeld bijna verontwaardigd op de vraag van de gespreksleider waarom Lex weg moest gaan: ‘Waarom!? We zijn toch een zorginstelling!? Waarop de gespreksleider koeltjes reageert met ‘ja, en…?’. En hij gaat zelfs nog verder in zijn gevoelloze onbenulligheid door te vragen waarom je het niet onveilig zou mogen maken voor mensen die in zorg zijn. Hij doet dat omdat zijn taak is: voordoen hoe je vragenderwijs iemand zijn standpunt laat uitleggen.
Aanzetten tot luisteren
Voordoen
Om de deelnemers naar elkaar te doen luisteren, stelt de gespreksleider de vragen die in de vorige paragraaf de revue al passeerden. Daarmee laat hij zien dat hij niet anders doet dan voortdurend luisteren. Door vragen als ‘heb je Willemijn een reden horen geven?’ dwingt hij deelnemers in zekere zin om te luisteren. Dat vergt echter wel wat koelbloedigheid, omdat je met zulke vragen iemand in zijn betoog of gedachtegang onderbreekt. Vind je niet? Je steekt een spaak in het wiel en dat vinden beginnende gespreksleiders vaak ‘eng’. En dat is het ook als je zelf niet goed luistert. Daarom is het een basiscompetentie.

Een stille spiegel
Maar er zit nog een kant aan. Nergens in het gesprek zegt de gespreksleider iets als: ‘je moet beter luisteren’. Dat zou immers maar een onder de vele morele oordelen zijn, vatbaar voor discussie. Hij zegt ook niet: ‘ik merk dat je niet luistert’. Want, ja, misschien ‘merkt’ hij dat wel verkeerd, hij heeft de wijsheid toch niet in pacht? En juist doordat hij zulke dingen niet zegt, kunnen er bij deelnemers vragen ontstaan als: luister ik wel naar die ander? Wil ik daar wel naar luisteren? Hoor ik zelf wel wat ik zeg? Met zijn interventievragen over het luisteren, houdt de gespreksleider de deelnemers een spiegel voor, in stilte. Wat ze daarin zien weet hij niet.

Richting geven aan het onderzoek
Om deelnemers te motiveren tot verder onderzoek kan de gespreksleider, naast het voordoen van het onderzoek, enkele groepsinterventies doen.

Divergeren
Door te divergeren, uiteenlopende meningen aan het licht te brengen, accentueert de gespreksleider de diversiteit in de groep. Daaruit kan een onderzoeksbereidheid ontstaan: hoe is dat nu mogelijk, dat wij daar zo verschillend over denken? Wat zit daarachter?
Op het moment dat Els zegt dat de situatie onveilig was, kiest de gespreksleider voor zo een divergerende interventie en vraagt: ‘Vinden jullie ook dat er geen veilige situatie was?’ En even later doet hij nog zo een interventie, als Daan zegt dat hij het met de zienswijze van Els ‘dus niet eens is’. Hij had aan Daan kunnen vragen wat er dan niet klopt aan de visie van Els, maar dat doet hij niet. Hij vraagt meteen door op de bewering van Daan, via een serie vragen naar boven. Het resultaat is dat er twee nogal verschillende visies naast elkaar staan, die op het eerste gezicht allebei plausibels zijn. Er is dus wel het een en ander uit te zoeken.

Convergeren
Een convergerende interventie kan de gespreksleider doen op het moment dat er al een duidelijk meningsverschil is. In het begin van het gesprek, nadat Lex zijn verhaal heeft gedaan, is er zo een verschil van mening: Daan vindt dit, Els vindt dat en Lex zit zich te verbazen. Dan stelt de gespreksleider een vraag die de deelnemers uit hun individuele perspectief haalt: ‘over welke vraag verschillen jullie nu van mening?’ Daarmee roept hij ze op om na te denken over wat hen samen bezighoudt, om onder woorden te brengen wat dat is dat hen in beroering brengt en verhit doet zijn. Daaruit komt vrij snel een scherpe vraag tevoorschijn met een convergerende werking, een vraag waar iedereen het over wil hebben: ‘mocht Lex weggaan terwijl de mevrouw in de slaapkamer was?’