De Boog 36 | 1851 ZS Heiloo | 072-5316070/06-48258115 | www.boltentraining.nl
In toenemende mate wordt een beroep gedaan op het zelfstandig oordeelsvermogen van werknemers. Als dat al niet expliciet als uitgangspunt wordt gehanteerd door organisaties, dan komen mensen daar wel achteraf achter. Een wel zeer sprekend, en voor de betrokkenen soms pijnlijk voorbeeld daarvan, zijn de ondervragingen die individuen moesten ondergaan tijdens de Parlementaire Enquête naar de bouwfraude. Hoe ontwikkel je nu dit zelfstandig oordeelsvermogen?
Met onze ervaringsgerichte reflectiemethode worden deelnemers uitgenodigd te reflecteren op hoe ze hebben gehandeld, en bovendien waarom ze zo hebben gehandeld. Welke aannames, overwegingen en (voor de deelnemer vanzelfsprekende) denkpatronen liggen ten grondslag aan het eigen handelen?
Veel bekende methodes en modellen, variërend van Enneagrammen tot de teamrollen van Belbin, bieden een handvat voor reflectie op het eigen handelen. Zij besteden echter weinig of geen aandacht aan de achterliggende individuele denkkaders. Het kader wordt hierbij als een gegeven beschouwd; het wordt immers gevormd door het aangereikte model.
In de ervaringsgerichte reflectie die bestaat uit een combinatie van buiten-activiteiten en dialoog, zien deelnemers zich niet alleen onontkoombaar gedwongen tot zelfstandige reflectie op eigen handelen maar vooral ook tot het onderzoeken en het zélf verder ontwikkelen van hun eigen beheersparadigma. In dit programma speelt zowel de reflectie als het vormgeven van de reflectie zich op een steeds dieperliggend niveau af.
In dit artikel bieden we een blik op
Het doel van de reflectietraining 'Outdoor en filosoferen' is om deelnemers individueel en als groep de gelegenheid te bieden om en te stimuleren tot reflectie op het eigen doen en denken. Dat kan leiden tot een gezamenlijk onderzoek van de individuele denkkaders en mentale modellen. Bovendien kunnen die denkkaders en modellen op hun houdbaarheid worden onderzocht en zo mogelijk (beter) op elkaar worden afgestemd. Die afstemming is met name voor functionele teams van belang.
Twee tot vijf dagen aan een training spenderen is niet niks, en de vraag naar het nut lijkt ons dan ook een terechte. Ons doel is in elk geval om deelnemers de gelegenheid te geven om na te denken over kwesties die voor hen van belang zijn, en daarmee ook te oefenen in reflectie. Omdat de thema's en het niveau van denkvaardigheid per groep en per deelnemer verschillen, zijn de resultaten moeilijk in algemene bewoordingen uit te leggen aan een niet-deelnemer, maar oud-deelnemers geven aan dat ze:
Het programma bestaat uit een afwisseling van
De afwisseling van de diverse onderdelen en de lengte ervan wordt gaandeweg meer en meer door de deelnemers zelf ingevuld. Langzaam maar zeker gaat daarbij het thema van de groep zich steeds duidelijker aftekenen.
De groep bestaat uit minimaal 5 en maximaal 12 personen. Het programma begint altijd met een binnensessie, waarin we de programmaopzet doornemen. De deelnemers krijgen een klein notitieboekje uitgereikt, en een blaadje met de regels voor het programma. Die nemen we meteen door (zie kader).
Dialoog
De regels voor het socratisch gesprek
1) Zeg wat je denkt en voelt
2) Spreek concreet en beknopt
3) Probeer de ander te begrijpen
4) Sta open voor bevraging
Buiten
De regels voor de buitenoefeningen
1) Iedereen blijft verantwoordelijk voor zijn eigen handelen (niemand wordt tot iets gedwongen)
2) Geen alcohol zolang we nog in het programma naar buiten gaan
Alhoewel de regels voor zich lijken te spreken, en door de meeste deelnemers zonder meer worden geaccepteerd, wijzen we er met nadruk op dat absolute toepassing van de regels voor de dialoog niet altijd mogelijk is. Strikte naleving van regel 1 (zeggen wat in je opkomt) zou bijvoorbeeld inhouden dat het in korte tijd een pan wordt, waarbij iedereen door elkaar heen spreekt. Hierbij worden de deelnemers meteen geconfronteerd met het feit dat ze zélf steeds weer een afweging zullen moeten maken welke regel ze wel of niet volgen. Leidraad daarbij is dat de regels bedoeld zijn om tot onderling begrip te komen.
De regels worden permanent zichtbaar opgehangen in de dialoogruimte.
Vervolgens komt ook de rol van de begeleiders aan de orde (zie kader).
Met name het niet op de inhoud ingrijpen van de binnenbegeleider, en het geheel niet aan het gesprek deelnemen door de buitenbegeleider, zijn van belang. Daarom stellen we dit in het programma vaker aan de orde. Op de reden hiervan komen we nog terug bij 1.6 Uitkristalliseren van het thema.
De eerste binnensessie houden we zo kort mogelijk, om zo snel mogelijk naar buiten te kunnen gaan.
'Buiten' is in veel gevallen een park, of een stuk bos bij een hotel. De eerste activiteiten zijn erop gericht om de deelnemers gevoel voor de omgeving te geven, en de spieren los te maken. Daarna wordt een sterk taakgerichte activiteit met meerdere facetten aangeboden die vele verschillende gedragsprikkels in zich heeft. We kiezen voor zo'n oefening, omdat in deze eerste oefening vaak al de aanzet voor het groepsthema naar boven komt, en de groep zo vrij mogelijk gelaten wordt om zelf dat thema neer te zetten. Hoe opener de activiteit is, des te groter de mogelijkheid dat de groep haar eigen thema vindt.
Na de buitensessie houden we binnen de eerste dialoog, waarbij de buitenoefening als voeding voor het gesprek dient. De stoelen staan in een kring zonder tafels, met een flip-over. Gedurende de binnensessies komen de wanden steeds voller te hangen met de uitspraken van deelnemers.
De individuele denkpauzes geven de deelnemers de kans om datgene wat ze in de dialoog, dat wil zeggen in het gemeenschappelijke discours, gehoord hebben te verwerken, en te verbinden met hun eigen gedachten. Daardoor treedt er een sterke afstemming op tussen de individuele deelnemers onderling, en op het gedeelde gespreksthema.
Wij maken dus duidelijk de keus om het thema vanuit de afstemming tussen individuele deelnemers te laten komen, en niet een thema of vraag voor te leggen waar de deelnemers vervolgens iets mee moeten.
In de meeste groepsgesprekken volgen spreekbeurten elkaar snel op. Dat zorgt ervoor dat deelnemers
Bij de dialoog worden de uitspraken van deelnemers op flap-over gezet, met hun naam erbij, en aan de wand gehangen. Dat zorgt er al snel voor dat deelnemers beter gaan nadenken, en zorgvuldiger gaan formuleren. Doordat hun uitspraken worden opgeschreven, kunnen ze namelijk altijd aan hun eigen uitspraken herinnerd worden. Dit dwingt deelnemers om ook hun eigen uitspraken serieus te nemen.
De vertraging die hierdoor in het gesprek optreedt (spreekpauzes kunnen in een enkel geval oplopen tot meer dan een minuut), wordt door de meeste deelnemers als weldadig ervaren. Ze krijgen namelijk tijd om zelf ook goed na te denken over wat anderen zeggen. Hierdoor ontstaat er bij iedere deelnemer, naast het gemeenschappelijke gesprek, een tweede, interne discours. Deze interne discours wordt gedurende het gesprek gevoed vanuit de gemeenschappelijke dialoog, maar iedere individuele deelnemer krijgt, meer dan in een gewoon gesprek, de tijd om de thema's die in de gemeenschappelijke dialoog aan de orde komen, ook te doordenken vanuit een persoonlijk standpunt.
Om deze mogelijkheid te vergroten, lassen we regelmatig individuele denkpauzes in het programma in. De enige opdracht de we de deelnemers daarbij meestal geven is: 'Denk na over de zaken waarover jij moet nadenken.' Daarbij krijgen ze de instructie om absoluut niet met elkaar te spreken, dat zou namelijk een voortzetting van een gemeenschappelijke dialoog zijn; het doel van de denkpauzes is nu net om deelnemers de kans te geven om
Deze denkpauzes leveren over het algemeen nieuwe input op voor de gemeenschappelijke dialoog.
De volgende mechanismen werken mee om de kristallisatie van het thema zo snel mogelijk te laten verlopen:
Naast de mogelijkheid van afstemming tussen interne en gedeelde discours en tussen deelnemers onderling, heeft de vertraging nog een belangrijk effect. Door de vertraging en het gericht vragen naar het hier en nu door de begeleider, worden de deelnemers gestimuleerd om in het hier en nu waar te nemen of en hoe het thema actueel in de groep speelt. Hiermee kunnen de zogenaamde derde-orde vragen aan bod komen.
De eerste buitenactiviteiten bevatten nog diverse gedragsstimuli. Naarmate het programma vordert, krijgen ze echter een meer toegespitst karakter, waarbij de buitenbegeleider (in overleg met de groep) ofwel kiest voor een activiteit die zoveel mogelijk aansluit bij het besproken thema, danwel een activiteit die hier dwars tegenin gaat. Na een gesprek over praten en overleg, kan een activiteit in stilte een mooi contrast opleveren.
De activiteiten worden verderop in het programma over het algemeen steeds minder taakgericht, en steeds meer sfeerbepalend / procesbeïnvloedend. Een voorbeeld hiervan is boogschieten. (voor de verschillende toepassingsmogelijkheden van boogschieten zie Organisatie-instrumenten, file B1441, maart 2003)
Als begeleiders treden wij steeds verder terug, zeker zodra de groep zich 3e orde vragen gaat stellen. Elk optreden van ons kan vanaf dit moment namelijk een inbreuk op het gesprek van de deelnemers vormen.
Zodra een groep zich met derde-orde vragen gaat bezighouden, is het thema maximaal uitgekristalliseerd. Op dat moment speelt het actuele thema namelijk zowel in de interne discours, als in de gedeelde dialoog, alsook in het gesprek over de gedeelde dialoog. Wat een deelnemer vanaf dit moment ook zegt of doet, hij wordt steeds weer geconfronteerd met het thema. Dat is wat wij eerder bedoelden met het woord onontkoombaar.
In het gesprek treedt dan een zogenaamde 'fractalwerking' op: individuele bijdragen aan het gesprek worden door de deelnemers bezien als een weerspiegeling of afbeelding van het gespreksthema - vorm en inhoud beginnen in elkaar over te lopen.
Vanaf dit moment zetten we over het algemeen ook meerduidige of zinledige activiteiten in, wat deelnemers uitnodigt om hun eigen betekenis (over het algemeen iets dat het gespreksthema behelst) uit de activiteit te halen.
Deze fase van het gesprek is over het algemeen behoorlijk confronterend voor deelnemers, ook doordat het thema zich dwingend, en op meerdere vlakken toont Dit kan in individuele gevallen sterke emoties oproepen. Deze emoties behandelen we niet alsof ze het eigenlijke reflectieproces in de weg zitten. Ook pogen we niet ze glad te strijken of op te poetsen.
Wat we wel doen is deze emoties onderzoeken op hun cognitieve inhoud in het hier en nu. We beschouwen emoties dus als een signaal dat maximale kristallisatie van het thema heeft plaatsgevonden. Het filosofisch onderzoek van deze emoties, en datgene wat de emoties oproept, levert in onze ervaring buitengewoon heldere inzichten op.
Een deel van de emoties speelt zich vooral individueel af. Iedere deelnemer is zijn eigen poortwachter tussen de gedeelde dialoog en zijn interne discours. De wetenschap dat alles wat hij in de gedeelde dialoog brengt aan bevraging onderhevig kan zijn, blijft gedurende het gehele gesprek dwingen tot zorgvuldige formulering.
Doordat de gedeelde dialoog relatief cognitief blijft, en er niet aan deelnemers 'getrokken' wordt zijn de emoties die het gesprek oproepen, voor een belangrijk deel terug te voeren op de eigen processen van individuele deelnemers.
Voor zover er groepsdruk is, is die vooral gericht op het
Kortom, de groep gaat zelf naleving van de aan het begin geformuleerde gespreksregels afdwingen. Wie niet bereid is om in elk geval te proberen de regels na te leven, doet zichzelf een groot plezier door er niet aan te beginnen.
Hieronder doen we verslag van delen uit een tweedaags programma 'Outdoor en filosoferen'. Dit ter illustratie van een aantal van de hierboven besproken verschijnselen. Om alle hiervoor besproken verschijnselen te illustreren aan de hand van gespreksverslagen, zou teveel ruimte kosten.
De negen deelnemers waren de leden van het management team van een middelgrote overheidsorganisatie. Het thema was, op uitdrukkelijke wens van het team, niet van te voren al vastgelegd. Tijdens de voorbesprekingen bleef het bij aanduidingen als 'het moet gaan over hoe we samenwerken en over hoe we elkaar aanspreken'.
Aan het begin van het programma werd aan de deelnemers gevraagd om de voor hen belangrijke vragen te formuleren, de vragen waarvan ze hoopten dat ze in deze twee dagen beantwoord zouden worden. Door het expliciteren van deze vragen kunnen de initieel nog diffuse wensen en behoeftes worden verhelderd. Aldus kan er een focus in het programma ontstaan. Enkele vragen die door deelnemers op flip-over werden geschreven waren:
De erop volgende buitenoefeningen en dialogen zouden vanzelf wel duidelijk maken wat voor de deelnemers de betekenis van deze vragen zou zijn.
Na een korte introductie van programma en spelregels gaan we naar buiten. Bij aankomst van de groep ligt er een cirkel van 25 meter doorsnee, met in het midden daarvan een cirkeltje van 4 meter, beide van touw.
De grote cirkel wordt aangeduid als een 'moeras', de kleine cirkel als een 'eiland'. De deelnemers staan palen, sjortouwen en kratten ter beschikking, en het is hun taak om naar het eiland te komen, zonder dat iets of iemand het moeras aanraakt. Wat het moeras aanraakt, wordt door de begeleider afgepakt. Enige uitzondering zijn de kratten.
Op het 'eiland' moet men een zodanige constructie bouwen dat iedereen minstens een meter boven de grond kan staan.
Deze activiteit heeft elementen in zich die te maken hebben met planning, vasthoudendheid, probleemoplossen, overleg, veiligheid. Het aardige is dat regelmatig een aantal deelnemers weinig tot niets kan doen in het kader van de activiteit, en daarmee gedwongen wordt tot waarnemen, zonder dat men uit de activiteit stapt.
Het managementteam zag het geheel eerst wat meewarig aan, maar ging vervolgens toch aan de slag. Na aanvankelijk gesplitst overleg kwam men tot de conclusie dat beide groepen samen mochten werken. Het verdwijnen van 2 palen werd zonder meer geaccepteerd. Hierna leek men de activiteit steeds serieuzer te nemen. Na afloop richtte men zich tot de buitenbegeleider met de vraag of men het goed had gedaan. Dit is iets wat duidt op taakgerichtheid, en komt vaak voor aan het begin van een programma.
In de dialoog hebben de deelnemers de gelegenheid om, volgens socratische principes, de voor hen belangrijke kwesties te onderzoeken. (Voor een uitgebreide bespreking van de Socratische Methode zie Organisatie-instrumenten, file B1440, maart 2003) 'Socratisch' wil zeggen dat in het gesprek niet gaat om het uitwisselen van boekenwijsheid of kennis-van-horen-zeggen. Integendeel, het gaat erom de eigen ervaring te onderzoeken en te verwoorden. In dit geval was dat de ervaring van het bouwen van de bliksemafleider. In het gesprek wordt dus niet gekeken naar het verband tussen de gedane activiteit en de dagelijkse ervaring op het werk (Dat is iets voor de interne dialoog). Het gesprek gaat uitsluitend over de activiteit. Wanneer er zich in dat gesprek verschillen of tegenstellingen voordoen kunnen die verder worden onderzocht.
Verder is het van belang om te werken aan onderling begrip. Vandaar de uitnodiging aan de deelnemers om te spreken volgens de regels genoemd in 1.4.
Om het onderzoek te kunnen starten vanuit de ervaring van de deelnemers vroeg de begeleider aan de deelnemers om een zo concreet mogelijke uitspraak te doen over een voor hen belangrijk moment in de buitenoefeningen. Iedere deelnemer kreeg een half flip-over vel en een viltstift en schreef dit zelf op en hingen het aan de wand. Enige uitspraken die in het verdere gespreksverloop een rol gingen spelen, waren:
1 Ik had er een goed gevoel bij dat er gedisciplineerd werd gespeeld. (Bernard)
2 Ik vond het vermakelijk om te zien hoe de een voor de ander dacht hoe het zou moeten. (Nigel)
3 Een gevoel van euforie toen de wigwam stond ('dat hebben we mooi even geflikt!'). (Harm)
4 Ik vond het lekker om weer eens even met hout en touw aan de gang te zijn. (Henk)
5 Ik vond het prachtig dat er samen werd gewerkt en dat het doel ook nog eens werd gehaald. (Paul)
In deze uitspraken zien we diverse invalshoeken en onderwerpen die voor de deelnemers om een of andere reden belangrijk zijn. Een eenduidig groepsthema is daarmee echter nog niet vastgesteld.
Om dit op het spoor te komen vroeg de begeleider de deelnemers om de uitspraken 1 tot en met 5 eens te bekijken. Zijn dat begrijpelijke uitspraken? Heeft er iemand een vraag over? In het gesprek dat uit deze verhelderingsvragen ontstond kwam het cruciale thema vervolgens geleidelijk in beeld.
Bernard richt zich tot Nigel en vraagt: "Wat bedoel je eigenlijk met 'vermakelijk' in jouw uitspraak?'.
"Ik vond het wel grappig", zegt Nigel, "om te zien hoe er bij het begin van de oefening zonder enig overleg te werk werd gegaan. Het was compleet ongestructureerd en hartstikke moeizaam. Iedereen ging maar aan de gang zonder dat gewoon eerst de logische stappen werden gezet".
"Dat vind ik vreemd", komt Henk tussenbeide. "Zoals jij er nu over praat, plaats jij je als het ware buiten de groep. Jij praat vanuit de positie van een toeschouwer".
"Ja", zegt Nigel, "ik stond dat allemaal maar een beetje te bekijken toen ik op het eiland aankwam. Er gebeurde van alles en nog wat door elkaar heen. Ik zag bijvoorbeeld hoe jij daar zomaar ongevraagd met die touwen begon te knopen. "
"Ja dat had ik ook!", roept Harm ineens uit. "Ik zag Henk op de grond bezig met die touwen, maar ik had geen idee wat hij aan het doen was. Ik vroeg hem nog waar die touwen voor waren. Er werd nog meer gepraat, maar ondertussen ging Henk gewoon door. Dat is toch gek! Dat we dat zomaar laten gebeuren. We vragen hem van alles en hij gaat gewoon door met die touwen. En wij staan erbij te kijken".
Nu laten ook de andere deelnemers van zich horen. Het voorval van het knopen van de touwen staat ze nog scherp voor ogen. De hele situatie op het eiland wordt vanuit verschillende perspectieven gereconstrueerd. Hoe meer men erover praat, hoe vreemder het wordt.
Ineens zegt Harm: "Waarom staan wij dat eigenlijk toe, dat iemand zomaar begint te knopen? Dat is toch raar?"
Nu is de verbazing volledig. Inderdaad, waarom hebben ze er bij staan kijken? Dat is de vraag die de meeste deelnemers zich op dat moment eigenlijk ook stellen.
We staan hier even bij stil. Iedereen vindt het een interessante vraag - er was op dat eiland inderdaad iets merkwaardigs aan de hand. Er wordt besloten om de vraag te onderzoeken:
6 Waarom staan wij toe dat er iemand zomaar begint te knopen? (het werd niet uitgesproken dat er een wigwam werd gemaakt)
Deze beschrijving van het begin van de eerste dialoog maakt duidelijk wat we hierboven bedoelden met 'de begeleiding grijpt niet in op de inhoud'. De deelnemers stuiten door een vraag- en antwoordspel over de buitenactiviteit zélf op een punt dat voor hen kennelijk van belang is.
Nadat deze vraag op flip-over is geschreven wil Bernard er als eerste iets over zeggen.
"Tja, kijk iedereen heeft een emmertje", zegt hij, naast zich op de grond kijkend. "En als dat vol is en overloopt, dan raak je gefrustreerd. En mijn emmertje is denk ik groter dan dat van anderen. Ik ben niet zo snel zo gefrustreerd dat ik ergens iets van ga zeggen".
Aan dit antwoord is te zien hoe moeilijk het is om een eenvoudig en begrijpelijk antwoord te geven op een gewone vraag. Het is voor Bernard blijkbaar makkelijker om algemene verhalen te houden over 'emmertjes' die iedereen verondersteld wordt te hebben, dan om te verwoorden wat er gebeurde op het moment dat er zich voor zijn ogen iets afspeelde waar hij zo zijn gedachten bij had.
Enig doorvragen van de begeleider (Bg) leidde tot een begrijpelijker antwoord op de gestelde vraag:
Bg: "Wat bedoel je nu, Bernard? Dat jouw emmertje nog niet vol was?
Bernard: Ja.
Bg: Zeg jij dan: ik was wel gefrustreerd, maar nog niet zo heel erg?
Bernard: Nee, ik was helemaal niet gefrustreerd.
Bg: Wat zat er dan in jouw emmertje?
Bernard: Helemaal niks.
Bg: Wat maakt het dan uit of jouw emmertje groot of klein was?
Bernard: Ja, eigenlijk ook helemaal niks.
Bg: Maar wat is dan jouw antwoord op de vraag, 'Bernard, waarom heb jij toegestaan dat Henk doorging met knopen?'
Bernard: Nou ja, ik heb helemaal geen verstand van het bouwen van stellages. Henk heeft geloof ik jaren bij de padvinders gezeten, dat heeft hij wel eens verteld. Ik dacht dat het wel goed kwam.
Hierna wordt op flip-over het antwoord van Bernard genoteerd.
7 De manier waarop Henk bezig was met knopen leek mij deskundig en ik had er vertrouwen in dat het goed kwam. (Bernard)
In tegenstelling tot Bernards eerste vage uitspraken over 'emmertjes' die al dan niet vol zitten, is dit een heldere uitspraak. En daarmee is hij ook voor verder onderzoek vatbaar.
In het gesprek riep deze uitspraak bijvoorbeeld vragen op als:
De tweede buitensessie eindigt met een open spelactiviteit met een bal en een parachute. De deelnemers houden met zijn allen een parachute strak, en vervolgens gooit de begeleider daar, zonder verder iets te zeggen, een grote bal op.
De begeleider begint met de vraag of de buitenoefeningen nog nieuwe vragen hebben opgeroepen. Dat resulteert in een aantal losse opmerkingen over de activiteit.
Op de vraag of het dan misschien iets is om met het onderzoek van de eerste dialoog door te gaan, merkt Hendrick op dat hij dat "heel waardevol zou vinden, er liggen nog interessante punten, het onderzoek is nog lang niet af". Van de andere deelnemers komt hierop weinig respons, men praat wat heen en weer.
Na verloop van een half uur zegt Henk: "Ik heb het gevoel dat we problemen zitten te zoeken die er helemaal niet zijn, dat we zitten te praten om te praten. Maar er is helemaal niks om over te praten. Kunnen we niet beter naar buiten gaan en nieuwe oefeningen gaan doen? Of ben ik de enige die dat zo ziet?"
Een rondje langs de deelnemers leert dat de meesten min of meer dezelfde beleving van het gesprek hadden als Henk - het ging eigenlijk nergens over.
Tijdens het gesprek had ook de begeleider dezelfde beleving als Henk. In zijn ogen ging het werkelijk nergens over en hij vroeg zich af of dit ooit wel ergens toe zou kunnen leiden. Toch gaf hij geen richting aan het gesprek. Dat had gekund door nieuwe onderzoeksrichtingen te suggereren, of wat dan ook. Door dat niet te doen, komen de deelnemers zelf voor de vraag te staan of dit een zinnig gesprek is of niet.
Nadat de deelnemers hadden gezegd wat zij van het gesprek van het laatste half uur vonden, merkte de begeleider op dat het erop leek dat ze in dezelfde situatie zaten als vanmorgen op het eiland: er gebeurt iets wat de meesten niet bevalt, maar men zegt er niks over. De groep besluit de vraag te onderzoeken:
8 Waarom heb ik niet gezegd dat ik het stroperig vond verlopen?
Met deze vraag heeft de groep een derde-orde vraag gesteld. Het onderwerp 'uitspreken en aanspreken' gaat op het moment dat deze vraag wordt gesteld, in het hier en nu van het gesprek spelen.
Wederom is het niet eenvoudig voor de deelnemers om bij zichzelf na te gaan welke afweging zij nu gemaakt hebben. Minutieus onderzoek levert na verloop van enige tijd de volgende antwoorden op.
9 Ik had niet de behoefte om te interveniëren, want ik wilde niet weer degene zijn die z'n nek uitsteekt. Ik wilde loyaal zijn naar de begeleiders. (Govert)
10 De anderen pikten mijn signaal niet op; toen ben ik achterover gaan leunen. (Hendrick)
11 Omdat ik het gevoel had dat ik het voor anderen zou kunnen bederven. (Dirk)
Hiermee is enigszins geschetst (het programma duurde nog anderhalve dag) hoe het thema 'uitspreken en aanspreken' zich vanuit de eerste buitenoefening heeft ontwikkeld tot een thema waarop in de actuele gesprekssituatie gereflecteerd werd.
In feite is deze aanpak van reflecteren geschikt voor elke groep, mits alle groepsleden van tevoren
Wanneer een functioneel team dit programma heeft meegemaakt, dan levert dat voor het team als geheel de ervaring op dat samen opdenken vanwege de confrontaties wel zeer spannend kan zijn, maar vooral ook vruchtbaar. De bevragende houding die het programma oplevert, blijkt over het algemeen ook lang aanwezig te blijven in een team.
Men ontwikkelt niet alleen een gemeenschappelijk denkkader, maar heeft ook ervaren hóe je samen aan zo'n denkkader werkt. Deze vaardigheid is een typisch kenmerk van een lerende organisatie.
Verschenen in: Management Tools 1 (1), 56-64, Kluwer 2004
Hans Bolten (1958) studeerde Filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 1996 werk hij voor uiteenlopende organisaties en beroepsgroepen. Hij begeleidt met behulp van de 'socratische methode' individuen en teams bij reflectie op het beroepsmatig handelen. Zo werkt hij sinds 1997 binnen de Belastingdienst als dilemmatrainer voor medewerkers en als trainer/adviseur op het gebied van het 'managen van integriteit'.
Publicaties:
'Ik doe wat ik zeg en ik zeg wat ik doe; een openbare Socratische oefening' (Filosofie, 1997, Damon, Best).
'De ontdekking van een goede gesprekshouding - het socratisch gesprek als morele ervaring' (Capita Selecta Opleiders in Organisaties, deel 35. Kluwers BedrijfInformatie. 1998, Deventer).
'Managers Develop Moral Accountability: The Impact of Socratic Dialogue' (Reason in Practice, The Journal of Philosophy of Mangagement, 2001).
'Het socratisch gesprek als instrument voor teamreflectie - spreken buiten de orde'. In: Organisatieinstrumenten, file B1440, Maart 2003. Kluwer, Deventer. Ook verschenen in: J. Delnoij en W. v. Dalen (Red.), Het socratisch gesprek. Damon, Best, 2003, p. 14-56.
Jac Rongen (1959) studeerde Massacommunicatie en Massapsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Na 6 jaar werkzaam te zijn geweest als intern communicator bij de ABN, vestigde hij zich als zelfstandig communicatievaardigheidstrainer. De laatste jaren houdt hij zich echter vooral bezig met het begeleiden van teams die hun eigen functioneren onder de loep willen nemen. Daarnaast begeleidt hij persoonlijke ontwikkelingstrajecten.
Eerder verscheen bij Kluwer een artikel over Outdoor programma's (Organisatie instrumenten, maart 2003, file B1441)
Sinds 2000 geven Hans en Jac samen trainingen waarin buitenactiviteiten en actief filosoferen volgens Socratische principes worden gecombineerd. De programma's zijn gericht op reflectie en het ontwikkelen van een reflexieve houding.
De trainingen vinden plaats in Nederland, Duitsland, Engeland en Turkije.