Een passend antwoord?

Basisoefening vragenstellen

van Hanegem

“Willem, jij voorspelde een einduitslag van 3-0. Klopte dat een beetje?”
Dat is een vraag – ‘Klopte dat een beetje?’. Zij werd gesteld door Andries Knevel aan ex-voetballer Willem van Hanegem. Dat was direkt na een wedstrijd van het Nederlands voetbalelftal in mei 2012 tegen Slowakije. Eindstand: 2-0, dus niet de 3-0 die van Hanegem voorspelde.
Op de vraag van Knevel of de voorspelling ‘een beetje klopte’, keek Willem quasi-onbenullig op en zei: “Heb jij niet gekeken dan?”. Erg ad rem, typisch van Hanegem, maar geen antwoord op de gestelde vraag, geen passend antwoord. Het springt nogal in het oog als non-antwoord, maar dat is niet altijd zo, en bij de kunst van het vragenstellen gaat het er om daar wel een oog voor te hebben, voortdurend. Overigens: Andries Knevel wist niets aan te vangen met Willems reactie, misschien omdat hij niet eens meer wist wat hij gevraagd had.

Puzzlestukjes

puzzelstukjes
Vragen en antwoorden kun je zien als puzzlestukjes. Soms passen ze in elkaar, soms niet. Bij de vraag ‘klopte het een beetje?’ passen antwoorden als: ‘ja’, ‘nee’, ‘misschien’, ‘dat weet ik niet’. Het maakt daarbij niet uit of het ware of onware antwoorden zijn. Het gaat erom of het zinnige en begrijpelijke antwoorden zijn, of ze tellen als antwoord. Nu had van Hanenegem natuurlijk ook iets anders kunnen zeggen, iets dat minder snel zou opvallen als niet-passend. Bijvoorbeeld:
– ‘tja, die Slowaken waren toch sterker dan ik dacht’, of
– ‘het is knap dat ze er toch nog twee in hebben geschoten’.
Maar ook dat zijn geen antwoorden op de vraag ‘klopte dat een beetje?’, netzomin als ‘tja, het blijft natuurlijk gokken’ of ‘liever chocoloade-ijs’.

Oppervlakkig luisteren

De kunst van het vragenstellen begint met de kunst van het luisteren, oppervlakkig luisteren. Je luistert niet naar ‘wat iemand bedoelt (te zeggen)’, naar zijn ‘intentie’ of ‘diepere boodschap’, integendeel. Je doet iets veel eenvoudigers en tegelijk fundamentelers: luisteren naar iemands woorden, naar wat hij letterlijk zegt. Je bekommert je niet om diepere of verborgen bedoelingen, en niet om ‘dat wat niet gezegd is’. Je blijft aan de oppervlakte en luistert naar de ‘buitenkant’ van iemands woorden, je registreert. Als je dit oppervlakkige luisteren beheerst kun je nagaan of iemand werkelijk een antwoord geeft op een gestelde vraag. Vooropgesteld natuurlijk dat je je eigen vraag nog weet.

Oefening – Passende antwoorden

Het is niet eenvoudig om in een gesprekssituatie te letten op de gepastheid van antwoorden. Nog voordat je het antwoord helemaal gehoord hebt, ben je vaak de vraag al vergeten. Dat maakt het knap lastig om het antwoord te beoordelen op gepastheid. Om hier wat meer handigheid in te krijgen de volgende oefeningen.

Ruimte van mogelijke antwoorden

Om je meer bewust te worden van je eigen vraag kun je eens nadenken over wat iemand zoal aan antwoorden op een vraag zou kunnen geven. Het is het eenvoudigst om te beginnen met ja-nee-vragen (iets complexere vragen komen aan de orde in de oefening ‘kameleonvragen’). Stel dat je aan iemand vraagt:
Heb jij een leuke baan?
Iemand zou dan zomaar kunnen zeggen:

  • Het is altijd wat bij ons op de zaak.
  • Nou, ik ben momenteel op zoek naar een andere baan.
  • Ik werk in een hartstikke leuk team.
  • Tja, ik denk het wel.
  • Heb jij ooit van iemand gehoord dat hij een leuke baan had?

Dat zijn zo wat mogelijke antwoorden, maar het zijn geen van alle gepaste antwoorden: in geen enkel antwoord gaat het om een letterlijk ‘ja’ of ‘nee’. Als je een van de boven gegeven antwoorden wel als een ‘ja’ of ‘nee’ beschouwt: dat is een interpretatie van het antwoord, een fantasie over wat iemand ‘wel zal bedoelen’. Maar het gaat niet om wat iemand wel zal bedoelen, het gaat om wat hij letterlijk zegt.
Wellicht dat ook ‘misschien’ een gepast antwoord is, en ‘soms’ is een grensgeval. Van de antwoorden hierboven zal vooral nummer 3 nogal eens als een gepast antwoord worden beluisterd. Want ja, iemand die zegt dat hij in een hartstikke leuk team werkt zal toch ook wel vinden dat hij een leuke baan heeft? Dat kan, maar dat hoeft niet. Zo iemand kan evengoed bij navraag zeggen: ‘Nee, ik heb geen leuke baan, maar wel een hartstikke leuk team’.

De oefening is dus:
Schrijf een eenvoudige alledaagse vraag op, en vervolgens een stuk of tien antwoorden die je zoal kunt verwachten. Het lijkt eenvoudig, maar het is nog enig werk om een aantal realistische, en ook echt verschillende antwoorden te bedenken, dat is nu net de oefening. Als je een verzameling antwoorden hebt, ga dan eens na welk van de antwoorden je als gepast beschouwt. Als dat eenmaal vlot lukt, kun je het volgende doen.

Oefenen in het wild

Na de vorige oefening kun je dezelfde vragen aan mensen voorleggen, zo in het voorbijgaan. Registreer het antwoord (letterlijk!) en schrijf het op als het een niet gepast antwoord is. Op een later tijdstip bedenk je enkele vragen die je vervolgens zou kunnen stellen.
Enkele suggesties:
V: Heb jij een leuke baan?
A: Nou, ik heb een hartstikke leuk team.
V1: Heb jij een leuke baan?
V2: Heb je daarom (ook) een leuke baan?
V3: Wat heeft dat ermee te maken?
V4: Ja, en?

Nieuwe tips en oefeningen ontvangen?

Wij plaatsen regelmatig nieuwe stukjes over de kunst van het vragenstellen en moreel beraad.
Als je wilt krijg je bericht zodra er iets nieuws op de site staat.
Vul je gegevens in en geef je voorkeur aan.

Ja, breng mij op de hoogte als er nieuwe tips zijn over:

==============================================================================================================

 
 
 

 

Wilt u ook de volgende tips en oefeningen in de Kunst van het vragen stellen lezen?
Als u hieronder uw naam en emailadres invult, krijgt u binnenkort de volgende oefening.
Naam
E-mail
Wilt u ons iets vragen? Of iets over deze pagina zeggen? Dat kan hier:

==============================================================================================================